G. Slootweg
Op verzoek van het bestuur van Koinonia schreef de heer Slootweg ter introductie op zijn lezing onderstaande tekst.
“’Ernstigh Liefhebber des Landts en Religie’, zo typeerde ds. Simon Oomius zich op de titelpagina van één van de ongeveer veertig (!) door hem geschreven boeken. Wat bedoelt deze dominee, die twee gemeenten diende – de eerste in Purmerland in Holland, de tweede in Kampen – met deze presentatie van zichzelf?
Als dominee weet en voelt hij zich zeer betrokken bij “de religie”, maar welke is dat en hoe omschrijft hij die? Maar dat niet alleen: hij is ook een liefhebber van het “land”, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. En toch spreekt hij over die zeven Nederlanden als “het land”. En daarbij komt dat hij zichzelf niet slechts als “liefhebber” aan zijn lezers presenteert, maar als een “ernstig” liefhebber. Allemaal vragen, waard om bij stil te staan. In de inleiding zal worden geprobeerd antwoord te vinden op deze vragen. Zij valt uiteen in vier delen.
In de eerste plaats zal kort iets worden gezegd over de tijd waarin ds. Oomius leefde, met name gericht op “het land” en op de “religie”, in dit geval de Gereformeerde Kerk, en de onderlinge relatie tussen die beide. Hij wordt geboren in 1630, achttien jaar voor het einde van de Tachtigjarige Oorlog, elf jaar na de Nationale Synode van Dordrecht en zeven jaar voor het verschijnen van de Statenbijbel. Tijdens zijn leven vinden er nog diverse oorlogen plaats, waarbij die van 1672 (het Rampjaar) tot 1674 wel de meest ingrijpende is geweest.
Vervolgens komt tegen deze achtergrond het leven van ds. Oomius aan de orde, waarin ook aandacht wordt geschonken aan zijn theologische opvattingen. Hij heeft met grote belangstelling en liefde de colleges van de hoogleraren Voetius en Hoornbeeck gevolgd. Met name met de laatste voelt hij zich zeer verbonden. Om kort te gaan: Oomius is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, een waar gereformeerd piëtist. Hij dringt in zijn gemeenten, maar ook in zijn geschriften, aan op het kennen van de gereformeerd leer, niet alleen met het hoofd, maar door genade met het hart. Daarvoor moet ieder wel nauwgezet de middelen die de Heere in Zijn goedheid geeft waarnemen, thuis in de gezinnen, in de kerk en op de scholen. Het gaat om de praktijk der godzaligheid. Daarbij stelt hij nadrukkelijk dat de (wetenschappelijke) theologie alleen werkelijk theologie mag heten en kan zijn als die praktisch van aard is. Maar die praktijk geldt niet alleen de persoonlijke omgang met de Heere, maar ook in de praktijk van het hele leven. Dat werkt hij uit in zijn vele boeken.
In derde plaats wordt aandacht gevraagd voor enige van zijn boeken. We kunnen ze onderscheiden in pastorale, theologisch-dogmatische en politiek-maatschappelijke. Van de pastorale boeken worden er drie kort besproken. In de eerste plaats “Satans’ vuistslagen”, over de vreselijke aanvechtingen van de duivel in het hart van veel van Gods kinderen. Het tweede boek dat we bespreken is: “Het wenen der tortelduive”, over de boetvaardigheid en de betekenis van tranen daarbij. Het derde is: “Een kerk in het klein”, over de godsdienstige opvoeding in het gezin. Van de theologisch-dogmatische boeken stellen we een enorm project dat Oomius zich voorgenomen had te ondernemen, aan de orde. Namelijk een uitgebreide bespreking van de gereformeerde dogmatiek, een project dat hij echter bij lange na niet heeft voltooid. Van de politiek-maatschappelijke boeken kijken we naar een vijftal pamfletten (die hij de titels “Bazuynen” meegeeft) uit de jaren 1672-1674. We staan ook stil bij een dun boekje met de titel “Theologico-politica Dissertatio”, over hoe de overheid dient om te gaan met niet-gereformeerde religies, met name de rooms-katholieke. We keren aan het eind van dit onderdeel van de lezing nog even terug naar een (meer) pastoraal boek, namelijk:”Cierlycke Croon des Ouderdoms”. Het werk dat hij vlak voor zijn overlijden schrijft en dat posthuum is uitgegeven door zijn weduwe. In dit boek geeft hij allerlei pastorale adviezen aan ouderen en blikt hij terug op zijn eigen leven.
Ten slotte en in de vierde plaats proberen we een antwoord te vinden op de vraag welke betekenis het leven en het werk van ds. Simon Oomius heeft en kan hebben, voor onze tijd en voor onszelf.”